Landkaartje (juwelenmaker in de tuin)
Van midden maart tot midden oktober heb je kans om een landkaartje te spotten. Deze mooie vlinder is vrij gemakkelijk te herkennen wanneer hij zijn vleugels dichtklapt. De tekening die je dan ziet, doet denken aan een landkaart waarop – met wat verbeelding - glooiingen en rivierlopen te zien zijn. Wist je trouwens dat landkaartjes in het voorjaar een andere kleur hebben dan soortgenoten in de zomer? Ontdek in het boek hoe dat komt of… ga op zoek naar de felgroene eitjes van landkaartjes. Die hangen de vlinders op als parelkettingen aan de onderzijde van brandnetels.
Veelvraat (harige zonneklopper)
Deze harige rups is pakweg 7 centimeter lang en is bedekt met oranje-zwarte haren. Ze kruipt door haar achterlijf op te trekken en zich dan weer uit te strekken. Het is best een grappig gezicht, maar de rups is aardig snel en zit in een mum van tijd verstopt onder een heidestruik. Geen twijfel mogelijk, dit is de rups van een veelvraat, een forse nachtvlinder. De vlinder dankt zijn naam aan het feit dat de rups nogal wat voedsel kan verzetten. Vooral blaadjes van berk, bosbes, wilg, braam en struikhei worden gesmaakt. Van september tot april krijg je deze rups bijna nooit te zien. Het beestje overwintert dan op de grond, vaak verscholen tussen mos of dode bladeren.
In de meimaand kun je de volwassen nachtvlinders zien vliegen. Je hebt daarvoor wel wat geluk nodig. De mannetjes vliegen zo snel dat je vaak alleen een flits ziet voorbijzoeven en de vrouwtjes vliegen enkel ’s nachts. Soms komen veelvraten ook af op lichtvallen. In Nederland is de vlinder wijdverbreid, maar in Vlaanderen komt de soort vooral aan de kust en in de Kempen voor.
Poelpiraat (sprinten over water)
De letterlijke vertaling van de wetenschappelijke naam (Pirata piraticus) is trouwens ‘zeeroverpiraat’. Die naam geeft al aan dat met deze soort niet te spotten valt. Een poelpiraat is namelijk een wolfspinnensoort en dus een snelle jager, maar deze spin jaagt op en langs het water. Dankzij waterafstotende haren op de poten kan een poelpiraat snel en behendig over het wateroppervlak lopen. En zijn er waterplanten in de buurt, dan is de snelheid van deze spin al helemaal niet meer te stuiten. De planten zorgen voor grip, waardoor de spin nog harder kan sprinten.
Een poelpiraat is geen echte waterspin, maar bij bedreiging gaat ze kopje-onder en neemt ze een bubbel zuurstof mee tussen de vettige haren aan het achterlijf. Ze blijft onder water tot het gevaar geweken is. Poelpiraten maken geen web, maar ze houden zich op in een buisvormig stekje, verscholen tussen de stenen of planten in de vijver.

